Allergie bij huisdieren

Helaas komt allergie bij honden en katten (net als bij mensen) steeds meer voor. Waarom dat zo is, daar zijn we nog niet uit. Dus tot die tijd beperken wij ons tot het diagnosticeren en behandelen van allergiën.

Diagnose van allergie

Allergiën bij honden en katten uiten zich vaak als jeukklachten. Soms is dat heel duidelijk, zoals een rode buik, of heel veel bultjes. Maar soms zijn de klachten een stuk minder opvallend, zoals knagen aan de pootjes, of terugkerende oor- of anaalklierproblemen. En dan zijn er een aantal mogelijkheden.

  1. De huidirritatie is een normale reactie op iets irritants (zoals een reinigingsmiddel)
  2. De irritatie is een overreactie op stofjes uit de omgeving (“atopie” genaamd)
  3. De irritatie is een overreactie op stofjes in de voeding (“voedselallergie” genaamd)

Waarbij de allergie tegen omgevingsdingen en die tegen voedingsstoffen ook nog eens tegelijk voor kunnen komen.

Wat we daarom als eerste doen, is een goed gesprek met de baasjes. Als een jeukklacht in een bepaald seizoen meer voorkomt dan in andere seizoenen, wordt een omgevingsallergie een stuk waarschijnlijker.

Blijft het onduidelijk welke oorzaak er is, dan volgen we de volgende stappen:

  • starten op een hypo-allergeen dieet
  • symptoom bestrijding jeukklachten

Als de allergie klachten van de hond of kat heel erg zijn, beginnen we met allebei tegelijk. Als het wel meevalt, beginnen we alleen met het dieet.

Allergie voor voedsel

9 tot 12 weken

Het is enorm belangrijk om te beseffen dat het lang kan duren voordat een speciaal dieet werkt. Dat is een percentage-spel: hoe langer je wacht, hoe meer procenten van de allergische honden ook kan laten zien dat het werkt. Dus als je geluk hebt, zie je het al na 3 weken. Maar je kunt pas echt succes verwachten na 9 tot 12 weken. Dat is ook de hoofdreden dat we direct met zo’n dieet beginnen: als je daar pas mee begint als de rest niet helpt, ben je wéér een paar weken langer bezig.

Eiwitten

Wat houdt een “hypo-allergeen” dieet dan precies in? Het belangrijkste om te weten, is dat verreweg de meeste allergiën tegen bepaalde dierlijke eiwitten zijn. De nummer 1 daarbij is “kip”, maar het kan ook “koe”, “varken”, of iets anders zijn.

Nieuwe eiwitten of gehydrolyseerde eiwitten

Dan heb je als baasje de keuze: of je gaat zorgen dat de hond of kat alleen nog maar eiwitten eet, die hij of zij nog nooit gehad heeft (zoals struisvogel, witvis, paard, gans, eend, kangoeroe, etc.). Of je geeft een voer waarin met een chemisch trucje, de eiwitten zo klein geknipt zijn (“gehydrolyseerd” heet dat), dat het immuunsysteem er niet meer op kan reageren. Alle grote merken hebben zo’n voer. Wij adviseren om dit wel in overleg met een dierenarts te doen. Want voeding is een belangrijk iets. Zo is er een tijdje een rage geweest om “graanvrij” te voeren. Op zich kan dat, maar in een aantal gevallen leverde dat meer problemen op.

Niks, maar dan ook niks, anders

Het is ook belangrijk dat de patient niks eet, waar hij of zij mogelijk allergisch voor is. Dus als de hond met een voedselallergie voor kip een kipnugget in het park vindt, beginnen de 9 tot 12 weken, voordat je effect kunt verwachten, weer opnieuw.

Niet direct opgeven

Als dit dieet geen succes heeft (dus het duurt al 9 tot 12 weken, en er is nog steeds jeuk), moet je niet direct stoppen met het dieet. Het kan namelijk zijn dat de hond wel een voedselallergie heeft, maar OOK een omgevingsallergie. En als je dan te vroeg stopt, loop je je straks een ongeluk te zoeken naar de blijvende jeuk bij een omgevingsallergie, terwijl het dan weer de oude voedselallergie is die loopt te storen.

Bloed test

Er is een bloedtest voor voedselallergiën bij dieren. Voorlopig zijn de uitkomsten daarvan niet klinisch relevant. Het is een vrij prijzige test die, naar onze mening, niet zoveel toevoegt aan de diagnose of de therapie.

Allergie voor de omgeving

Voor de omgevings allergiën is het een stuk lastiger een oplossing te verzinnen dan voor de voedsel allergiën. Je zou denken dat je ze eenvoudig kunt ontlopen, maar dat is nog niet zo makkelijk. Als er berkenzaadjes in de lucht zitten, dan weten ze je wel te vinden.

Al kan het wel helpen om niet door grasvelden te rennen, als je allergisch bent voor graszaadjes.

In de meeste gevallen kom je bij dit type allergie uit op medicatie. Als je geluk hebt enkel een smeerseltje (zoals af en toe een oorzalfje), en als je geluk hebt ook alleen maar een paar maanden per jaar. Als je pech hebt, heb je het hele jaar last, en dus het hele jaar medicatie nodig.

Medicatie bij allergie

Er zijn een aantal groepen medicatie. Die hebben allemaal verschillende werkingen, verschillende bijwerkingen en erg verschillende kosten.

Per geval zal de dierenarts de beste keuzes doorspreken. Voor korte termijn medicatie kan het vaak niet zoveel kwaad om iets te geven met veel bijwerkingen. Maar als je het weken tot maanden lang gaat geven, wil je niet dat het medicijn erger is dan de kwaal.

Bloedonderzoek

Er is een bloedonderzoek voor omgevingsallergiën. Maar het is erg belangrijk om de beperkingen hiervan te begrijpen. De belangrijkste is dat er best veel vals-positieven uit gaan komen. Ben je bijvoorbeeld allergisch voor een graszaad, dan kan het zomaar zijn dat je ook een positieve uitslag krijgt bij andere graszaden, of een huisstofmijt. Of, en dat is nog wel vervelender: als je enkel een voedselallergie hebt en je doet een test voor omgevings allergenen, dan gaat daar waarschijnlijk ook iets uitkomen (terwijl je er helemaal niet allergisch voor bent).

Het is dus alleen maar zinvol als je deze test zinvol toepast. Dus:

  1. Als er geen klachten door voedselallergie zijn
  2. Als men beseft dat er veel onterecht positieve uitslagen gaan zijn
  3. Men begrijpt dat het lastig gaat zijn de veroorzaker te ontlopen
  4. Men bereid is om te desensitiseren

Desensitisatie

Het hoofddoel van het bloedonderzoek, is om een therapie van desensitisatie in te stellen. Da’s een leuk woord voor scrabble, wat betekent “het minder gevoelig maken”. Wat je dan doet is dat je met kleine injecties met het goedje waar ze allergisch voor zijn, het lichaam vertellen dat het zich niet zo aan moet stellen. Dat zorgt in 70% van de gevallen voor verbetering. Verbetering is niet genezing! Verbetering betekent dat je met minder medicatie de symptomen kan onderdrukken, of met dezelfde medicatie de klachten meer kunt onderdrukken. In heel zeldzame gevallen kom je soms van de medicatie af. Heel zeldzaam: reken er niet op!

Oorontsteking bij hond en kat

Bij honden (en minder vaak bij katten) komen regelmatig oorontstekingen voor. Dat is meestal een “buitenoor-” ontsteking (otitis externa). Dat wil zeggen dat het gehoorkanaal ontstoken is. Het middenoor (wat bij mensen nog wel eens ontstoken raakt) ontsteekt minder vaak bij onze huisdieren.

Oorzaken van oorontsteking

De meest voorkomende oorzaken voor otitis externa zijn:

  1. allergiën
  2. afwijkend klimaat door anatomie
  3. afwijkend gehoorkanaal

Allergiën

Wat er simpelweg gebeurt als een huisdier een chronische allergische reactie heeft, is dat (vooral op gevoelige plekjes) de huid wat gaat ontsteken. Hij wordt dan wat rood, wat warmer en wat vochtiger. In een buisje, zoals een oor, vormt dat een ideale kweekvijver voor bacteriën en gisten.

Honden die vaak na het zwemmen oorontsteking krijgen zijn vaak ook allergisch ergens voor.

Allergiën die dit kunnen veroorzaken zijn een voedselallergie, een allergie voor omgevingszaken (de zogenaamde “atopie”), of beide.

Anatomie

Sommige honden hebben hun anatomie gewoon niet mee. Rassen met ERG grote flappen, krijgen oorontstekingen simpelweg omdat de gehoorgang gaat broeien door de flaporen die er voor hangen. En katten met flapoortjes ook.

Afwijkingen

Soms hebben patiënten een afwijking in of aan de gehoorgang. Zo hebben dieren soms poliepen in het oor, of door genetische afwijkingen een erg nauwe gehoorgang.

Diagnostiek bij oorontsteking

Pseudomonas in oorsmeer uitstrijkje
Het is op de foto niet heel mooi te zien, maar dit zijn Pseudomonas bacteriën uit de gehoorgang van een hond

Omdat allergiën zo’n grote rol spelen is het verhaal van de patiënt enorm belangrijk. Komt het vaker voor? Komt het in bepaalde seizoenen voor? Zijn er andere jeuk klachten (zoals problemen met de anaalklieren)?

Daarna wordt er in de oren gekeken. Dan kijken we naar de volgende zaken:

  • Hoe ziet het oorsmeer er uit
  • Hoe ziet de huid in de gehoorgang er uit
  • Is het trommelvlies nog heel

Op basis daarvan wordt een plan gemaakt. Als er voor dat plan antibiotica oorzalf nodig is, wordt er vaak onder de microscoop gekeken naar de bacteriën en/of gisten die in het oor wonen.

Therapie van oorontsteking

Oorsmeer met een mengbeeld van bacteriën en gisten bij oorontstekingAfhankelijk van de oorzaak (allergie of niet) en de bijkomende problemen (bacteriën of gisten) wordt er een therapie ingesteld. Vaak is dit wat ingewikkelder dan enkel een middeltje voor de oren, omdat er een allergie speelt waar de hele patiënt last van heeft. Als je dan de allergie niet aanpakt, is het dweilen met de kraan open.

Kan er zalf in de oren, en zijn daarbij antibiotica nodig, dan is het nuttig om eerst te kijken wat er allemaal in het oor leeft. Niet alle oorzalfjes werken tegen alle kwalen. Zo is er een antibiotica middel wat een maand lang werkt, maar dat kan niet gebruikt worden als er Pseudomonas bacteriën in het oor zitten. Daar is dan weer een ander zalfje voor.

En vaak is antibiotica helemaal niet nodig.

Wat ook nog meetelt is dat je heel voorzichtig moet zijn met oorproducten als het trommelvlies misschien gescheurd is. Dat kan niet alleen heel veel pijn doen, maar de hond of kat ook nog eens doof maken.

Frustrerend

Gisten in een oorsmeer uitstrijkje
Deze barbapappa’s zijn gisten in het oor

Het lastige aan oorproblemen is dat de oorontsteking bijna altijd veroorzaakt wordt door iets wat altijd blijft spelen: Een allergie heb je in de regel voor het leven, en ook je anatomie verandert meestal niet. Het is dus belangrijk dat dit hele verhaal duidelijk uitgelegd wordt. Vraag daarom altijd door als iets niet duidelijk is!

Schildklier bij katten

Bij oudere katten komt best vaak een aandoening aan de schildklier voor. Dan maakt de schildklier te veel schildklierhormoon aan.

Symptomen

Het meest opvallende symptoom is dat de kat afvalt, terwijl hij of zij toch gewoon goed eet. Daarnaast zie je vaak een wat viezige vacht, omdat de kat zich minder goed wast. En soms ook gedragsveranderingen (zoals aggressie).

Diagnostiek

De diagnose stel je met een bloedonderzoek op schildklierhormoon. Vaak worden dan ook meteen wat andere mogelijke oorzaken voor gewichtsverlies mee getest. Bij de meeste klinieken (waaronder Dierenkliniek Dordrecht), kan dit gewoon in de kliniek geanalyseerd worden.

Therapie

Er zijn een aantal therapeutische mogelijkheden bij hyperactieve schildklier katten:

  • Tabletjes
  • Drankje
  • Oorzalf
  • Chirurgie
  • Bestraling
  • Dieet

De therapie begint altijd met het medicamenteus onderdrukken van de schildklierhormoon productie. Dat kan met pillen, met een vloeistof voor in de bek of met een oorzalf.

Als de kat dan eenmaal in balans is, is er de mogelijkheid om het permanenter aan te pakken. Dat kan met chirurgie, of met bestraling.

De chirurgie was lang geleden de enige optie, en heeft een paar grote nadelen. Zo moet je uitvogelen welke schildklier (je hebt er aan elke kan één) je moet verwijderen. Als je hem verwijdert, is de kans groot dat je vrij snel daarna ook de andere moet verwijderen. En als je schildklieren verwijdert, kan het gebeuren dat je (per ongeluk) ook de bijschildklier verwijdert of beschadigt. Vaak komt dit dan alsnog neer op dagelijks pillen geven, om dat te compenseren. Laat nou “ik wil geen dagelijks pillen aan mijn kat geven” precies de hoofdreden zijn om verder te gaan dan enkel medicamenteus behandelen. Dus chirurgie wordt niet vaak meer toegepast.

Bestraling is de moderne permanente aanpak van hyperthyreoidie. Dan wordt er radioactief jodium aan de kat gegeven, zodat het stukje schildklier wat onzinnig hard hormoon maakt, door de radioactiviteit kapot gemaakt wordt. Dan blijft er normaal schildklier weefsel over. Het grootste nadeel hiervan is dat de kat een tijdje uit logeren moet. Daarna kost het aardig wat, en bestaat er de kans dat er ooit weer een nieuw stukje schildklier teveel gaat produceren. Deze behandeling wordt aangeboden door de Universiteit Utrecht, de Universiteit Gent en door Dierenkliniek De Lingehoeve in Liende.

Er bestaat ook nog een therapie die berust op het geven van een dieet, waar geen jodium meer in zit. Dit is op zichzelf een prima methode, maar is praktisch vaak erg lastig uit te voeren. Zo vinden een hoop katten het voer niet lekker, en mag de kat ook niks, maar dan ook niks anders binnenkrijgen. Een kat die dus wel eens aarde van zijn of haar pootje likt, krijgt meteen weer last van de schildklier.

Controles

Als een kat eenmaal aan de schildklierbehandeling deelneemt, moet er regelmatig gecontroleerd worden of de therapie nog wel voldoende werkt. Meestal wordt dat gedaan met regelmatige bloedonderzoeken (elk half jaar is ideaal). Als geld echt een groot probleem is, zou regelmatig wegen ook een indicatie kunnen zijn. Het lastige daarvan is dat je pas als het hormoon echt weer te hoog is, gedurende langere tijd, gewichtsverlies gaat merken. En in de tussentijd is de bloeddruk te hoog geweest, en is er dan mogelijk weer extra nier- en hartschade.

Bij een schildklierhormoon die langere tijd te hoog is, kun je schade aan allerlei organen oplopen. Dus vaak worden de nieren ook meegetest bij het bloedonderzoek, en mogelijk de bloeddruk. Soms ontstaan er ook hartklachten.

Kruidnoot test

Een test probeert iets over de werkelijkheid te zeggen. Dus je hand blind in een doos stoppen om te voelen wat er in zit geeft een bepaalde uitslag. Hoe dicht die uitslag bij de waarheid zit (de voorspellende waarde), hangt af van twee dingen:

  1. hoe goed je kunt voelen (de sensitiviteit en specificiteit van de test)
  2. of er hints gegeven zijn over wat er in de doos zit (dat noemen we prevalentie: hoe vaak iets voorkomt)

Het probleem met titeren is dat de hint zo duidelijk is (“het is een snoepje, wat op een halve bol lijkt, bij Sinterklaas veel rondgestrooid wordt, en gebakken is met veel kruiden”), dat als u roept “kruidnoot” je in de meeste gevallen zonder te voelen ook wel goed zit. Oftewel: de meeste honden die gevaccineerd zijn, zijn gewoon beschermd.
Mocht je je hand er toch insteken, en 1 op de 10 keer denken “hè? Dat voelt helemaal niet als een kruidnoot” is de kans nog steeds heel groot dat het toch een kruidnoot is, maar er iets mis ging met het voelen. Oftewel: de meeste honden die een niet-beschermd uitslag uit de test krijgen, zijn gewoon wel beschermd door de vaccinatie.

Dan moet je je afvragen of het niet gewoon beter is om maar helemaal niet te voelen, en gewoon aan te nemen dat er een kruidnoot in zit.

Dit is een erg ruwe vergelijking met het technische verhaal van “voorspellende waardes” van diagnostische testen, zoals we eerder beschreven hebben. Hij gaat niet helemaal op. Als iemand een beter voorbeeld weet: Geef het even door, dan passen we deze aan.

Titeren

De wiskundige benadering van titeren

Het titeren van huisdieren (met name honden), om te besluiten of ze gevaccineerd moeten worden, is erg populair. In dit stukje zullen we proberen uit te leggen wat onze visie daarop is.

TLDR

Je kunt te weinig met de uitslag van de test, om de test goed te praten.

Wij doen de berekeningen, zodat we u van goed advies kunnen voorzien

Vaccineren en titeren: de basis

We vaccineren om het immuunsysteem van een mens of dier te prikkelen om klaar te staan als er een echte ziekte voorbij komt. Dit doen we door kapotte onderdelen van zo’n ziekte aan te bieden, of door een echte ziekteverwekker aan te bieden die een veel minder erge infectie oplevert. We gaan hier even niet verder in op de voor- en nadelen van vaccins. Kort gezegd vallen de bijwerkingen enorm mee, en zijn de voordelen van beschermd zijn enorm groot.  Het LICG legt dit fraai uit. Voor meer informatie over vaccins bij mensen kunt u bij de Rijksoverheid terecht.

Wat we met het bepalen van een titer (populair: het titeren) doen, is bepalen of er afweerstoffen in het bloed circuleren tegen een bepaalde ziekteverwekker.

De getallen

Zoals we in een eerdere post over diagnostische testen hebben uitgelegd, hangt de waarde van een diagnostische test erg af van een aantal waardes. De sensitiviteit, specificiteit van de test zelf, en de prevalentie (hoe vaak iets voorkomt) in de testgroep. Wij adviseren sterk dit even door te nemen voordat u het volgende stukje leest. Een iets eenvoudigere uitleg staat hier.

Als we de meest gebruikte titertest nemen (Vaccicheck van NML), brengt dat ons op de volgende waarden:

ZiekteSensitiviteitSpecificiteit
Distemper-virus10.92
Parvo-virus0.881
Canine adeno-virus0.940.93

Normaal gevaccineerde honden zijn voor meer dan 90% beschermd. Dat noemen we een prevalentie van minstens 90% (het aantal dieren dat beschermd is na een goede vaccinatie). Dan krijg je de volgende voorspellende waarden:

ZiektePositief voorspellende waardeNegatief voorspellende waarde
Distemper-virus0.991
Parvo-virus10.48
Canine adeno-virus0.990.63

Interpretatie

Distemper

Over de voorspellende waarden met betrekking tot Distemper virus hebben we niks aan te merken. We vinden een sensitiviteit van 1 wel erg ambitieus. Als we er van uitgaan dat de testers mens zijn, en dus wel eens foutjes maken, komt de waarde al snel overeen met de uitslag van Parvo.

Parvo

Als er een positieve uitslag uitkomt, weet je vrij zeker dat de hond beschermd is. Goed nieuws! Maar met een beschermingsgraad van minstens 90% kun je dat eigenlijk ook wel vrij zeker stellen zonder de test te doen… Als de test een negatieve uitslag geeft, komt de waarde aardig in de buurt van 50%. Dat wil dus zeggen dat de helft van de honden die negatief test, wel gewoon volledig beschermd is. Daarom is her-vaccineren op zo’n moment erg dubieus. Komt de hond in aanraking met erg veel ongevaccineerde honden, dan is dat misschien een reden om er iets mee te doen. Maar voor de gemiddelde hond in Nederland kun je deze uitslag dus gewoon negeren.

Kort gezegd: positieve uitslag is nutteloos, negatieve uitslag is nutteloos. En dat geldt dus eigenlijk ook voor Distemper virus hierboven.

Canine Adenovirus (hepatitis)

Wederom een erg lage negatief voorspellende waarde: kunnen we dus vrij weinig mee.

Leptospirosis

Hey, die staat er niet bij! Dat klopt. Vaccinaties tegen de erg gevaarlijke (voor mens en dier!) ziekte leptospirosis werken maar ongeveer een jaartje. Daarbij heeft titeren sowieso geen zin: die moet je gewoon elk jaar herhalen.

Dat klinkt vrij ongenuanceerd. Bijna elke dag dat ik mijn honden uitlaat in Dordrecht en omgeving zie ik wel een rat lopen. Ratten zijn de dragers van Leptospirose. Je kunt er dus wel van uitgaan dat al het oppervlaktewater in de regio besmet is. Aangezien de besmetting niet alleen erg gevaarlijk is voor uw huisdier, maar ook voor u (en uw dierenarts), is het advies voor elke hond in de regio: jaarlijks vaccineren tegen Lepto.

Samengevat

Al met al adviseren wij niet zomaar te titeren. Als ze positief uitkomen doe je niks met de uitslag. Als ze negatief uitkomen zijn ze erg onbetrouwbaar. Grappig genoeg zorgen ze op deze manier juist voor onnodig vaccineren.

Wij zijn een voorstander van het normale schema. Dat komt er op neer dat je, na het eerste jaar, gewoon elke 3 jaar de grote vaccinatie geeft (met distemper, parvo en adenovirus), en elk jaar de vaccinatie voor leptospirose.

Levensjaar23456789101112
VaccinatieL4L4L4+
DHP
L4L4L4+
DHP
L4L4L4+
DHP
L4L4
(telefoon kantelen voor volledige tabel)

Als u om de een of andere reden minder wilt vaccineren (de vaccins tegen distemper e.d. werken soms een stuk langer dan 3 jaar), staat dat u vrij. Bespreek dit dan gewoon met uw dierenarts.

Levensjaar23456789101112
VaccinatieL4L4L4L4L4+
DHP
L4L4L4L4L4+
DHP
L4
(telefoon kantelen voor volledige tabel)

Als u meetelt zult u zien dat dat eigenlijk nauwelijks verschilt van het geadviseerde schema op een hondenleven. Aangezien de bijwerkingen van vaccinatie erg zeldzaam zijn, kun je je afvragen of je niet net zo goed die ene extra vaccinatieronde mee kan pakken van het geadviseerde schema…

Vanuit onze praktijkvoering (om duidelijk te maken dat wij u om medische redenen iets adviseren, en niet voor de centjes) hebben we de prijs voor een leptospirose vaccinatie gelijkgesteld met een vaccinatie met distemper, parvo, adenovirus en leptospirose.

Overige op- en aanmerkingen

Nog twee puntjes die we even wilden aanstippen:

Puppies titeren heeft weinig zin, aangezien het immuunsysteem pre-puberaal iets anders werkt dan bij de volwassen hond.

De voorspellende waarde voor bescherming in de toekomst is niet aangetoond. Dus je kunt (op dit moment in ieder geval) niet zeggen “hij heeft zoveel reactie in de test, dus hij gaat zoveel jaar bescherming geven”. Het zou mooi zijn als dat ooit verandert, maar dat moment is nog niet daar.

Om een voorbeeld te geven: er was een praktijk die eens een doos tests besteld had om het eens uit te proberen. Per ongeluk testte de assistente twee keer hetzelfde bloedmonster. Met twee heel verschillende uitkomsten met betrekking tot de hoeveelheid reactie van de test. Daarmee is de test niet meteen nutteloos, maar er is nog wat werk aan de winkel voordat je dus iets kan voorspellen met de uitslag.

Diagnostische testen

Een groot deel van de besluitvorming in de medische wereld hangt af van diagnostische testen. Dat komt uitendelijk neer op het beheersen van statistieken. U vertrouwt er op dat uw dierenarts hier rekening mee houdt, en dat doen wij ook. Wat er dan in ons hoofd af speelt proberen we hier uit te leggen:

Positief en negatief

Voor deze tekst moeten we even uitleggen dat de termen Positief en Negatief niet automatisch iets goeds of iets slechts betekenen. Met “Positief” bedoelen we dat de test “Ja” antwoordt, en met “Negatief”, “Neen”. Om het voorbeeld van een zwangerschapstest te gebruiken: Als hij zegt dat je zwanger bent, is de test Positief, of je nou zwanger wilt zijn of niet. Zegt hij dat je niet zwanger bent, dan is de uitslag Negatief, ook al zou je misschien graag wel zwanger zijn.

Vals of eerlijk

In het geval van testen heb je een aantal verschillende uitkomsten:

  • Terecht positief: de test zegt dat je iets hebt, en dat is ook zo
  • Terecht negatief: de test zegt dat je iets niet hebt, en dat is ook zo
  • Val positief: de test zegt dat je iets hebt, en dat is niet zo
  • Vals negatief: de test zegt dat je iets niet hebt, en dat klopt niet

Sommige testen zijn heel gevoelig (Sensitief) en merken de-terecht-positieve gevallen heel snel op (weinig vals negatieven). Dit soort testen hebben vaak de neiging om ook, per ongeluk, een aantal negatieven als positief aan te merken: Vals positief.

Sommige testen zijn heel kieskeurig (Specifiek) en hebben daardoor meer kans dat een positieve uitkomst ook echt een positief geval (weinig vals positieve uitkomsten) is, maar mist daardoor meestal wat vaker gevallen die ook positief hadden moeten zijn: Vals negatief.

De waardes worden alsvolgt berekend (bron Wikipedia:

Specificiteit formule
Specificiteit formule
Sensitiviteit formule
Sensitiviteit formule

De perfecte test

Van alle testen zijn deze getallen (sensitiviteit en specificiteit) beschikbaar. De perfecte test voor iets heeft zowel een sensitiviteit (sens) als een specificiteit (spec) van 1 (dan heb je namelijk geen vals positieven en geen vals negatieven). Nodeloos om te zeggen dat eigenlijk niet voorkomt. Zelfs een test die theoretisch een volle één zou scoren, heeft altijd nog te maken met mensenwerk. Een druppeltje te veel bij het mengsel, een minuutje te lang gewacht, slechte lichtinval… alles beinvloedt de uitslag.

Hoe vaak komt iets voor

Om de waarde van een uitkomst in te kunnen schatten moet je verder nog weten hoe vaak iets voorkomt. Wat de prevalentie is van een aandoening. Als er in heel Nederland 1 iemand is die de Hik heeft EN je hebt een test die wel eens een vals positieve of een vals negatieve uitkomst geeft (wat bij zowat alle testen het geval is) zul je veel meer positieven krijgen dan 1, en die hebben bijna allemaal niet de Hik. De kans dat dat ene Hik geval echter een vals negatieve uitslag krijgt blijft direct afhankelijk van de sensitiviteit.

Krijg de Pip: een voorbeeld

Laten we als rekenvoorbeeldje een test nemen met een Sensitiviteit en Specificiteit van 0.95 en een aandoening die vrij zeldzaam is: De Pip.

Met symptomen komt de Pip voor bij 50.000 Nederlanders

Zonder symptomen komt de Pip voor bij 1.000 Nederlanders

We hebben 16.050.000 Nederlanders.

De mensen met symptomen hoeven we niet op te screenen, die gaan vanzelf wel naar een dokter. Rest ons nog om de overige 1.000 gevallen uit de 16.000.000 Nederlanders te halen.

Als je dan met behulp van de formules en de bijgeleverde data een grafiekje uittekent krijg je het volgende:

Tabel met de positieve en negatieve testuitslagen voor de Pip

Als je naar de waarden hier kijkt zie je dat je toch nog 1 op de 20 gevallen gaat missen en meer dan 800.000 mensen met een (in het overgrote deel foute) diagnose Pip naar huis gaat sturen. En dan is een test met 0.95 sensitiviteit en specificiteit nog aardig hoog. De meeste tests zitten een stuk lager. Dat betekent nog meer gevallen die je gaat missen, en nog meer mensen die je per abuis als ziek bestempelt.

Voorspellende waarde

Hoe maken we zo’n uitslag tastbaarder? Door de Positief Voorspellende Waarde te berekenen. Dat wil zeggen: Hoe betrouwbaar is een positieve uitslag. In dit geval is dat 950/800900=0.0012, oftwel 0.12%.

De negatief voorspellende waarde is een stuk beter: 15199050/15199100=0.9999, oftewel 99,99%. Als er dus een negatieve uitslag uitrolt, kun je vrij zeker van zijn dat je geen Pip hebt.

Op waarde schatten

Nou zijn er aandoeningen die ernstig genoeg zijn om een hoop vals positieven voor lief te nemen, maar om de waarde van een test goed in te schatten moet je dus altijd blijven opletten.

Zo hebben we voor u de redenatie achter het titeren voor u uitgewerkt.